“De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen. Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’ Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.” (het evangelie volgens Marcus, hoofdstuk 10)

Dit verhaal is zo bekend dat het het risico loopt om als cliché gezien te worden. Maar de schaamte die de leerlingen van Jezus gevoeld moeten hebben (of de verontwaardiging, het onbegrip, de gêne?) zou ook ons deel kunnen zijn als we kritisch naar onszelf kijken. Want hoe kijken wij primair naar (onze) kinderen; als mensen die nog een hoop moeten leren, of mensen die óns iets heel kernachtigs kunnen leren?

Oefening: Jezus plaatste een kind in het midden van zijn groep leerlingen als voorbeeld van hoe een bewoner van het Koninkrijk is. Ga een dag of een paar uur met een kind op pad (je eigen of die van een vriend- of familielid) en zet je ogen en oren open voor wat het kind jou leert over liefde, contact en ‘het koninkrijk’. Bedank het kind voor de tijd die je met hem/haar door mocht brengen, en deel de les(sen) die je leerde met zijn/haar ouders en je reisgenoten.